Advies van de tuinman

Brabant, afkomstig uit een niet Brabants gezin. Ik sprak niet met een zachte g. Mijn ouders, vreselijk creatief, humoristisch en harmonieus. Een gezin waar ik, verlegen als ik buitenshuis was, het liefst dag en nacht verbleef. Helaas, er moest school gevolgd worden. Als stil meisje met rood haar, witte huid, sproetjes, zonder zuidelijk accent en afkomstig uit een apart gezin, vond ik school niet prettig. Ik was en voelde me anders dan de rest. Dit voelde de rest. En de rest werd ook duidelijk de rest. Ik en de rest.


Ik was zo verlegen dat ik voor alles en iedereen bang was. Voor leraren, andere kinderen, maar vooral ouders van andere kinderen. Die waren vreemder dan ik gewend was. Ze spraken kindertaal tegen hun kinderen. Ik wilde na school bij niemand spelen, ik wilde naar huis, waar ik, ik kon zijn. Waar ik niet verlegen was, maar toneelstukjes opvoerde. Cabaret was het eigenlijk. Mijn ouders lagen lachend op de trap wanneer ik in bed mijn televisieshow opvoerde met wel vijf personages die verschillende accenten hadden. Op school kon ik dit niet kwijt. School was daarom heel naar. Op school kon ik niet zijn wie ik was. Wanneer ik dit wel deed vlogen de volgende woorden mij om de oren: ‘Jij bent echt raar, jij spoort niet!’ De leraren die per jaar voorbij kwamen, vond ik veelal eng. Ze vonden mij zeer verlegen en angstig. Dat klopte, dat was ik ook. Dag in dag uit.

Tot ik in groep 5 kwam. Een combinatieklas. Met oudere kinderen, die in groep 6 zaten. Daar kon ik al iets beter mee praten. Vooraan in de klas zat de leraar voor dat jaar. Hij zat achter zijn bureau. Zijn grijze lange haren gingen nietsvermoedend over in zijn grijze lange baard. Hij zat afwezig te zijn en dit gedrag vond ik fijn. Hij was aan het dromen, zo leek het. Geen autoritaire kreukels in zijn gezicht. Hij droeg een spijkerbroek. Het leek alsof hij uit een moestuin kwam, waar hij allerlei groenteplantjes had. In mijn hoofd noemde ik hem ‘de tuinman’. Kinderen uit de klas vonden hem vreemd en raar. Ik vond hem niet vreemd en raar. Integendeel. Leren ging spelenderwijs. En als er onenigheid was in de klas, of pesterijen, dan nam de tuinman de twee strijders bij het nekvel en liet ze over het incident praten. Ik voelde me meer en meer thuis op school, bij deze man. Als hij genoeg had van leraar spelen, dan gooide hij de klas naar buiten voor een potje slagbal. Zelf zat hij dan in de hoek van het met pionnen afgezette veld een krantje te lezen. Zijn gele nicotinevingers rustend op de pagina’s. Ik dacht dat de vingers verkleurd waren door het werken in de moestuin.

In de klas werd ik vrijer. En als kinderen mij vreemd vonden en dit naar mij uitten, dan kwam de tuinman met me praten. Alsof hij mij begreep sprong hij in en sprak met me. Hij snapte mijn wereld, dacht ik. En ik snapte die van hem.
Zijn handschrift was het handschrift van een zigeuner. Ik had nooit eerder een handschrift gezien van een zigeuner. Maar zijn handschrift leek erop. Het had grote krullen aan de letters. Zijn woorden werden mysterieus door de krullen. Hij schreef vaak met een rode pen. Bij hem betekende dat niet dat je een onvoldoende had. Zo schreef hij in mijn poëziealbum een mooi, zelfverzonnen gedicht, in rode letters. Niet op één pagina, zoals iedereen dat deed. Nee, hij schreef twee pagina’s vol met een zelfverzonnen vers over mij. Zonder poëzieplaatjes. In plaats van deze plaatjes maakte hij gekleurde tekeningen. Rond van vorm en met de welbekende krullen.

School werd leuk door dit jaar, door de tuinman. Ik liep lekker op mijn zwart-witte puntschoenen, terwijl flatjes in waren en als iedereen gekleurde broeken droeg, trok ik trots mijn donkergroene rok aan met lange rits aan de voorkant. Mijn haar in een paardenstaart boven op mijn hoofd. ‘Jij ben echt raar!’ hoorde ik nog steeds. Maar door de woorden en blikken van Jean van Tuil, de tuinman, deden deze woorden mij steeds minder. Hij keek me aan en zei: ‘Blijf alsjeblieft zoals je bent, wat je klasgenoten ook zeggen.’ ‘Je bent anders ja, maar als je achttien bent, dan ben je blij dat je jezelf nooit veranderd hebt voor de omgeving, de rest.’ En deze rare, fijne man had met die woorden meer dan gelijk. Ik ben mezelf gebleven en dat is de leukste ik.

Marlies Brinkman, 32 jaar, kreeg in 1986 les van Jean van Tuil op de Nutsschool De Gentiaan in Son.

all rights reserverd © 2008 / uitgeverij XOI uitgeverij SWP     Comdev online publishing    Logacom Logavak     Zoek een bedrijf: fbg.nl